In Memoriam Menno Wigman

Menno Wigman is op 1 februari overleden. We verliezen een van de grootste dichters uit ons taalgebied, een scherpzinnig denker en lezer, een vriend. We wisten al een paar jaar dat Menno worstelde met hartproblemen, dat hij al eens op miraculeuze wijze aan de dood was ontsnapt, dat zijn gezondheid broos was. We wisten het, maar we konden en wilden geen rekening houden met een voortijdig vertrek.

Door: Michaël Stoker

Het Literatuurhuis en de Utrechtse literaire scene hadden een warme band met Menno. In december 1997, vlak na zijn debuut ’s Zomers stinken alle steden trad hij voor het eerst op bij Het Poëziecircus, één van de voorlopers van Het Literatuurhuis, samen met Ingmar Heytze, Ayatollah Musa en een 19-koppig vrouwenkoor. Twee jaar later in 1999 stond hij voor het eerst op De Nacht van de Poëzie in Vredenburg. Hij zou nog viermaal worden uitgenodigd en was zelfs een paar jaar, samen met Piet Piryns, de presentator en samensteller van De Nacht. De laatste keer dat hij er stond was in 2014.

Voordragen kon hij goed. Hij had een schitterende dictie, sprak de woorden uit met dezelfde trefzekerheid als waarmee hij ze eerder had opgeschreven, maakte er subtiele handgebaren bij. Toch was optreden geen doel op zichzelf. Menno maakte altijd volstrekt duidelijk, met name in de onderhandelingen over zijn honorarium, dat de optredens ondergeschikt waren aan datgene waar het hem écht om ging: schrijven.

In 2007 was Menno één van de twintig dichters die in Tivoli optraden bij het tienjarig bestaan van het Poëziecircus. Even leek het een afscheid, want in 2008 dreigden de Utrechtse lettereninstellingen te kapseizen onder de druk van bezuinigingen en gemeentelijk wanbeleid. We stelden het manifest ‘Utrecht waar zijn uw letteren?’ op en vroegen tout literair Nederland het manifest te ondertekenen. Menno was één van de ondertekenaars, hoewel hij doorgaans niet enorm van het inzamelen van handtekeningen en protesten uit naam van de kunst hield. Dat hij toch zijn handtekening zette, had ook te maken met het feit dat ik het verzoek rond een uur of 4 ’s nachts aan hem stuurde. Dat maakte veel goed. “Ah, ik heb een nachtbraker aan de lijn,” schreef Menno. Of we even konden bellen, nu we toch de enig overgebleven wakkere geesten in “de Füherbunker van de poëzie” waren. “En,” voegde hij eraan toe, “mocht je ook nog het telefoonnummer van de echte Führerbunker willen hebben: Rochus Misch, de nog altijd levendetelefonist uit de bunker, vertelde laatst in een interview: 'Wij kondenook naHitlers zelfmoord noggebeld worden, zelfs door burgers. Ons nummer was 120050, dat zal ik nooit vergeten.”
In de paar ‘Führerbunkergesprekken’ die we op die nachtelijke tijdstippen voerden ging het over de teleurstellende nieuwste bundel van de ene dichter en de onterecht toegekende prijs aan de andere, over zijn naar Kaspar Hauser vernoemde kat. We hadden het ook over dode dichters, Benn, Trakl, Pessoa. Ook Slauerhoff kwam ter sprake, een dichter met wie Menno onmiskenbaar een grote Wahlverwantschaft had maar wiens werk niet altijd op zijn onverdeelde enthousiasme kon rekenen. Jaren later schreef hij ter gelegenheid van het Slauerhoff-festival in Utrecht het gedicht Rien ne va plus, dat afsluit met de regels:

“En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
door poëzie van alles om je heen vervreemd,
nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.
Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
Had je maar nooit een gedicht gezien.”

Zijn band met Utrecht bleef hecht. In 2011 zat hij in de jury van het NK Poetry Slam, de avond waarop Kira Wuck kampioen werd, maar Menno vurig had gepleit voor kandidaat Daniël Vis (die uiteindelijk in 2014 alsnog het NK won) en in 2014 presenteerde hij zijn bibliofiele bundel Harde Modder bij het antiquariaat Hinderickx & Winderickx aan de Oudegracht. In datzelfde jaar trad hij -naar nu blijkt voor het laatst- op bij De Nacht. In de jaren daarna was hij backstage of, luisterend naar zijn collega’s, te midden van het publiek te vinden. Praktisch elk jaar opperde Piet Piryns bovendien bij de voorbereidende vergaderingen van De Nacht “of het niet weer eens tijd was voor Menno.” Of hij nu een nieuwe bundel had of niet, “Menno kan altijd”, volgens Piet. Toen de redactie half januari van dit jaar bijeenkwam om een eerste aanzet te maken tot de Nachtlijst van de komende editie in september, viel zijn naam opnieuw: het was misschien wel weer eens tijd voor Menno. Het heeft niet zo mogen zijn. Dat het nooit meer tijd wordt voor Menno is een onverteerbare gedachte. Om Pessoa te citeren: “Zo is het leven, maar ik ben het er niet mee eens.”

(Foto: Daniel Cohen)

Geplaatst door Michaël op 1 februari 2018