Pieter Cornelis Boutens

1870 - 1943

P.C. Boutens (Middelburg, 1870 - Den Haag, 1943) was een Nederlands dichter en classicus. Hij groeide op in een Zeeuws en streng protestant middenstandsmilieu. Tijdens het doorlopen van het Stedelijk Gymnasium Middelburg bleek dat hij talent had voor Latijn en Grieks. Hij vertaalde Plato’s ‘Symposium’ en begon in 1890 met de studie klassieke talen aan de Universiteit Utrecht. Boutens promoveerde in 1899 op een onderzoek naar de Griekse komedieschrijver Aristophanes.

Boutens publiceerde zijn eerste vijf gedichten in de 'Utrechtse Studenten Almanak' van 1891. Zijn officiële debuut verscheen in 1894 onder de titel 'XXV Verzen'. Hij liet zich inspireren door de Tachtigers, Plato, Sappho en de bijbel. Hij wilde een hogere werkelijkheid benaderen en volgens Boutens was dat één die Gods geheim zou benaderen. Boutens schreef bovendien het clublied van roeivereniging Triton. Hij verhuisde in 1894 om leraar te worden aan een deftige kostschool.

Herkenningspunten in het werk van Boutens waren gelijk aan die van de Tachtigers, namelijk de esthetische 'woordkunst' en zijn voorliefde voor neologismen. De impressionistische beschrijvingskunst van de betreffende generatie was hem echter vreemd. Boutens ontwikkelde zich langzamerhand in een geheel eigen richting. Deze richting werd sterk bepaald door zijn filosofische inzichten verkregen door de leer van Plato. De leer van Plato heeft aan zijn dichtkunst zin en inhoud gegeven.

Boutens maakte zich verdienstelijk via de Vereeniging van Letterkundigen die in 1905 werd opgericht. In 1918 werd hij voorzitter van deze Vereeniging. Zijn activiteiten om financiële steun aan letterkundigen te bieden, waren succesvol.

Boutens kwam in 1943 te overlijden.

 

 

Nacht uit 'Vergeten Liedjes' (1909)

Vind ik u eindlijk, broeder Nacht?
Hoe heb ik dag en nacht gesmacht
Naar 't water uwer oogen.
Wel viel de dauw der donkerheid,
Maar neevlen dicht en kimmewijd
Hielden uw blik betogen.

Nu aan den open hemel staat
De vaste rust van uw gelaat
Zoo sterrestil gerezen -
Tot grauwe dag de vooglen wekt
En met zijn floers uw glans betrekt,
Zullen wij samen wezen.

In uwen zilvren spiegel zag
Ziel vaak den jongen blanken lach
Van ongestild verlangen
Naar wat de dag niet geven kon -
Uw sterren en uw bleeke zon
Koelden haar heete wangen.

Nog altijd draagt zij geen sieraad
Dat in uw ademtocht beslaat:
Zij komt tot u getogen
Zoo naakt als toen zij alles dierf,
En de éene schat dien zij verwierf,
Zijn haar verheerlijkte oogen.

Mijn broeder die mij nooit bedroog,
Wij zien elkander oog in oog -
De ziel herkent van verre,
Voorgoed in haar bezit gerust,
Gelukkig en gelukbewust,
Haar oogen in uw sterren!

Foto: onbekend (CC)

Opnames

Nog geen opnames beschikbaar.

Bibliografie

Verzen (1898)
Praeludiën (1902)
Stemmen (1907)
Verzamelde sonnetten (1907)
Beatrijs (1908)
Spel van Platoons leven (1908)
Vergeten liedjes (1909)
Alianora (1910)
Carmina (1912)
Lente-maan (1916)
Strofen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe (1919)
Liederen van isoude (1921)
Zomerwolken (1922)
Alionora spel van het huwelijk (1924)
De sonnetten van Louis Labé (1926)
Oud-Perzische kwatrijnen (1926)
Bezonnen verzen (1931)
Honderd Hollandsche kwatrijnen (1932)
Strofen en andere verzen uit de nalatenschap van Andries de Hoghe (1932)
Achttien verzen bij werken van W.A. van Konijnenburg (1932)
Homeros' Odyssee (1937)
Tusschenspelen (1942)
Gegeven keur (1942)
Verzamelde werken (1943-1954)
P.C.B (1959)
Verzamelde lyriek (1968)
Uit den ban van duur en tijd (1993)

Links