Janus Secundus

1511 - 1536

Janus Secundus (Den Haag, 1511 - Doornik, 1536) was een Nederlandse humanistische dichter die voornamelijk in het Latijn schreef. Hij is de auteur van de in Utrecht gedrukte ‘Basia’, of ‘Kusgedichten’. Zijn lof werd bezongen door grootheden als Ronsard, Montaigne en Goethe.

Janus Secundus werd op 15 november 1511 als 'Jan Everaerts' geboren in Den Haag, maar kreeg de bijnaam ‘Secundus’ omdat zijn geboortedatum samenviel met een feestdag voor de martelaar Secundus. Hij kwam uit een gezin met 18 kinderen, waarvan een aantal vroeg gestorven is. Hij schreef al Latijnse verzen toen hij pas tien jaar oud was. Twee van zijn oudere broers werden na het voltooien van hun rechtenstudie ook dichter.

Zijn roem dankt Secundus aan zijn liefdesgedichten, waarvan de meest bekende ‘Basia’ ('Kusgedichten') is. Deze bundel bestaat uit negentien korte gedichtjes over het kussen, waarin Secundus kuspartijen met zijn Spaanse geliefde Neaera beschrijft. Met zijn kusgedichten imiteerde hij de Romeinse dichter Catullus en wist er een eigen draai en toon aan te geven. De gedichten uit ‘Basia’ zijn lieflijk en zoet beschreven en passen dus in de traditie van de lyriek. Daarnaast heeft Secundus drie boeken elegieën geschreven, die wederom liefdesgedichten bevatten.

Janus Secundus schreef zijn gedichten voornamelijk in het Latijn en was een voorloper van de literaire ontwikkelingen die in de Nederlanden vanaf ongeveer 1550 los zouden barsten. Op internationaal niveau sloot zijn werk aan bij de renaissanceliteratuur, die in Frankrijk en Italië reeds volop op gang was gekomen.

In 1534 kreeg Secundus als gevolg van malaria een hevige koorts en liet zich in 1535 in Utrecht voor bloedarmoede behandelen. Hij bleef echter ziek en kwam in 1536 op 24-jarige leeftijd te overlijden.

Omdat de meeste gedichten van Janus Secundus pas na zijn dood zijn uitgegeven, is het moeilijk vast te stellen in hoeverre de brontekst behouden is. Het is namelijk mogelijk dat zijn broers er verzen aan hebben toegevoegd of verwijderd hebben, alvorens het werk te hebben uitgegeven.


‘Basium III’ uit ‘Basiorum Liber’ (1535)

Da mihi suaviolum, dicebam, blanda puella:
Libasti labris mox mea labra tuis.
Inde, velut presso qui territus angue resultat,
Ora repente meo vellis ab ore procul.
Non hoc suaviolum dare, lux mea, sed dare tantum
Est desiderium flebile suavioli.

De Nederlandse vertaling door J.H. Scheltema:

‘Derde Kusje’ uit ‘Het boek des kusjes’ (1902)

Geef mij een teeder kusje, zoo sprak ik, bekorelijk meisje:
Fluks roert ge even mijne lippen met de uwen,
Om dan verschrikt, als hadt ge op 'n giftigen adder getreden,
Uw mondje haastig weg te trekken van mijn' lippen.
Dit is geen teeder kusje me geven, mijn' lieve, 't is veeleer
Te noemen, 't klaaglijk smachten wekken naar zoo'n kusje.
 

Foto: CC Wikipedia

Opnames

Nog geen opnames beschikbaar.

Bibliografie

Het boek der kusjes (ed. J.H. Scheltema) (1902)
Het boeck der kuskens (vert. o.a. Janus Dousa) (1619)
Elegieën (17e eeuw)
Basiorum Liber (1535)
De Kunst van het Zoenen. De Kussen en andere liefdesgedichten (Erven J. Bijleveld, 1997)

Links